Wie heeft onze prediking geloofd? En aan wie is de arm des HEEREN geopenbaard?
(Jesaja 53 vers 1)

…… En verder voegt de profeet – waar heel de wereld zal besprengd worden door onze Heere Jezus Christus – er nog aan toe: ’Want zij aan wie het niet verkondigd was, zullen het horen en zij , die het niet hadden verstaan, zullen verstaan’ (Jesaja 52 vers 15). Hier geeft de profeet zijn gedachten breder weer, aantonend, dat onze Heere Jezus zou gezonden worden door Zijn Vader, niet alleen voor de Joden (hoewel Hij hun uitdrukkelijk is beloofd) maar Zaligmaker van heel de wereld zal zijn. Dat dit de bedoeling van de profeet is, verklaart de heilige apostel Paulus in Romeinen 15, waar hij deze woorden daarop toepast, dat hij in vreemde landen was uitgezonden en naar alle kanten had koers gezet en alle landstreken met het Evangelie vervuld had, ook daar, waar nooit iemand over God had gesproken. En dat hij niet alleen onder de Joden, maar ook onder de heidenen predikte.

Wij zien dus waarop de profeet heeft gedoeld. En deze uitspraak moet ons als sleutel dienen om ons opening te geven tot het Koninkrijk Gods. Want als Jezus Christus slechts aan Abrahams geslacht beloofd was, waarmee zou Hij óns dan tot nut zijn? Al was Hij de Redder en Verlosser, wij zouden er part noch deel aan hebben. Maar omdat het zo lange tijd, voordat Hij werd uitgezonden, is voorzegd, dat Hij alle volken zou besprengen, opdat zij die tevoren niet hadden verstaan, verstaan zouden. En zij, aan wie het niet verkondigd was, zouden horen, daarom mogen wij weten dat onze Heere ons heeft aangenomen toen Jezus Christus in de wereld gekomen is, en vervuld heeft wat vereist en nodig was voor onze zaligheid. Zó dat de leer van het Evangelie nu als een regen is om ons kracht van boven te geven, in plaats dat wij volstrekt onvruchtbaar zijn. En, omdat wij uitgehongerd en ontledigd als wij zijn van de genade Gods, voedsel moeten ontvangen door de leer van het Evangelie. En beseffen welke waarde het heeft en waartoe ons de dood is die onze Verlosser geleden heeft, en dat Zijn leven de volmaking is van onze vreugde.

Zo heeft de profeet hier bedoeld de vreemde natiën, die tevoren niets hadden dan allerlei bijgelovigheid en afgoderij. Want de God van Israel was afgewezen door heel de wereld, men verachtte Hem, en de heidenen spotten met de ware religie. Nu staat er, dat zij zullen horen, en gehoord hebbende, zullen verstaan. Door deze woorden wijst de profeet aan vanwaar het geloof komt, nl. van het gehoor van het Woord van God.

Maar ondertussen duidt hij ook aan, dat het niet hetzelfde is dat wij oren hebben die getroffen worden door de prediking van het Evangelie, tenzij het verstaan ermee gepaard gaat. Nu is dit niet aan allen gegeven. Men moet dus deze uitspraak beperken tot de uitverkorenen van God en tot hen, die vernieuwd worden door de Heilige Geest. Gelijk de profeet ook uitdrukkelijk verklaart in wat hij er aan toevoegt: ‘Wie heeft onze prediking geloofd? En aan wie is de arm des HEEREN geopenbaard? (Jesaja 53 vers 1). Hier houdt de profeet midden in zijn betoog op en roept dit uit, als het ware zich verwonderend en verbaasd zijnde. En het is een uitspraak die waard is opgemerkt te worden.

Wij hebben gezien dat de profeet de gelovigen opwekte goedsmoeds en standvastig te zijn, als het ware zeggend: Mijn vrienden, weest niet verbaasd als er in onze Verlosser geen waardigheid is en Hij door de mensen niet geprezen wordt, maar veeleer ieder Hem in het gezicht spuwt en men Hem beledigt en zelfs voor een verfoeiing houdt; hebt daarom geen afkeer van Hem! Want God heeft het zo besteld. En u ziet intussen het einde, namelijk dat Hij, uitgetrokken uit de diepten van de dood, is verhoogd om zelfs heerschappij te hebben over alle schepselen. Daarom, laat niet na deze Verlosser te aanbidden, die Zich zo tot uw welzijn heeft vernederd.

En inderdaad vergelijkt de profeet Hem met de regen en zegt, dat God hen zal besprengen die nooit iets van de waarheid verstaan hadden, die als arme, domme beesten waren geweest. Zij zullen onderwezen worden, en deelgenoot gemaakt van het heil dat verworden is. En Gods Kerk zal uitgebreid worden over heel de wereld zo dat de tegenstanders de mond zullen dicht houden, tenzij dat zij met alle eerbied en bescheidenheid moeten belijden, dat alleen Israëls God moet worden geëerd, en Zijn enige Zoon moet worden aangenomen, opdat Hem alle hulde worde gebracht…….

De profeet dan, ziende dat de wereld zo boosaardig is dat God geen gehoor zal vinden, dat Zijn Woord niet met zulk een eerbied aangenomen zal worden als het verdient, is verwonderd en roept uit: ‘Wie heeft onze prediking geloofd?’ Alsof hij zei: helaas, ik predik hier de zaligheid der wereld, en alles is hopeloos en verloren, tenzij dit medicijn gegeven wordt, nl. dat God Zijn enige Zoon zendt. Die, strijdend tegen duivel en dood, ons in die weg verwerft gerechtigheid en leven; deze leer moet iedereen besprengen, anders zijn wij onvruchtbaar. In ons is slechts dorheid en armoede. Toch wacht God er niet op dat wij zullen vragen, maar Hij komt ons voor en biedt Zich mildelijk aan. En houdt ons daar Zijn enige Zoon voor met Zijn leer. Daarin betoont Hij Zich zo vriendelijk, dat Hij wel zonder enig tegenspreken moet worden aangenomen. Moest zelfs ieder niet ontvlammen in zulke ijver, dat hij al het overige verachtte om deze Verlosser te omhelzen? ….

En al zien wij dat het getal van de gelovigen klein is, de wereld en alles wat daarin is ons geloof ondersteboven wil keren, God toch vervult wat Hij gesproken heeft! ….. Maar intussen voegt de profeet dit erbij dat wij daarin moeten opmerken, dat het geloof een bijzondere gave van God is. Dat het niet genoeg is de leer te hebben en dat we getroffen oren hebben, maar dat God ons moet aanraken en zó in ons met een verborgen kracht moet werken, dat wij tot Hem getrokken worden door de prediking die we hebben gehoord.

Uit: Het gepredikte Woord, deel 2, Johannes Calvijn

Komende bijeenkomsten

Geen evenementen gevonden!