… en Zijn moeder zeide tot Hem: Kind, waarom hebt Gij ons alzo gedaan?
(Lukas 2 vers 48m)

Toen Maria en Jozef het Kind Jezus vonden in de tempel en Hem dáár zagen zitten, overviel hun hevige schrik en angst, want zo lezen wij in vers 48: ‘en Hem ziende werden zij verslagen’.
Men zou denken dat zij juichend zouden hebben uitgeroepen ’zie, daar is Hij, wij hebben Hem weer! Daar zit Hij onder al die geleerde mensen. O, wat hebben wij toch een bijzonder Kind!’ Nee, niets van dat alles! Zo hoogmoedig en opgeblazen zijn ze niet geweest, maar de diepe smart, die het ouderhart doorsneed, had nog steeds de overhand bij hen.
Maria spreekt: ‘Kind! waarom hebt Gij ons zó gedaan?’. En haar woorden houden een ernstig verwijt in aan haar Zoon. ‘Uw vader en ik hebben U met angst gezocht’. En nu krijgen Jozef en Maria in plaats van een verontschuldiging voor Zijn gedrag, een eenvoudig, treffend en verootmoedigend antwoord: ‘Wat is het dat gij Mij met angst gezocht hebt? Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?’. Als had de Heere willen zeggen: dat had u, o Mijn moeder, al lang kunnen weten; en zij – Jozef en Maria – verstonden het woord niet dat Hij tot hen sprak.
Nu, wat zegt u wel van zulk een moeder Gods, die niet eens verstaat wat haar Zoon tot haar spreekt? Was zij niet, evenals alle kinderen Gods, alleen ziende en opmerkende, als de Heere haar ziende en opmerkende maakt?

Maar waarom, met welk doel moesten Jozef en Maria zo diep verootmoedigd worden? Geliefden, uit hun mond was het woord gekomen: ‘Waarom hebt Gij ons dat gedaan?’. Alsof de Heere Jezus waarlijk Zelf de oorzaak van al dat verdriet geweest was, dat Zijn moeder moest uitstaan. Hij verontschuldigt Zich ook niet, maar zegt alleen dat Zijn ouders had- den kunnen weten waar Hij thuis hoorde. En daarom had u Mij niet met zoveel angst behoeven te zoeken. Aan Mij is immers niet zo veel gelegen, maar alles is aan Mijn Vader gelegen. Voor Hem leef Ik, en voor Hem ben Ik hier!

Nog laten we de vraag staan: waarom heeft de Heere Jezus dit Zijn ouders aangedaan? En menig kind van God kan misschien uit het gegeven antwoord raad en troost scheppen. Wanneer de Heere God voor de een of ander van Zijn lieve kinderen hun geheel heerlijk paradijs, waarin zij zich veilig geborgen achten, in vuur en vlam steekt, en de hitte der verdrukking die over zo’n mens komt, hem vreemd en ongewoon schijnt te zijn, zo weet die ziel dat zulk een lot ook de moeder des Heeren getroffen heeft.
Wilt u het, o verdrukte en hard geplaagde, nu nog langer beweren, dat wat u geschied is zonder voorbeeld, ja dat het te erg is? O, vraag u zelf eens liever af of Jozef en Maria deze drie lange dagen en nachten iets anders zijn geweest, dan een speelbal van alle duivelen!
Was het voor hen niet een schande en smaad van deur tot deur te moeten vragen: hebt u onze Zoon gezien? Hebt u iets gehoord van mijn Kind? En dan steeds maar weer te horen: maar vrouw, hoe is het toch mogelijk dat u uw Kind verloren hebt? Ik meen niet te veel te zeggen, als ik beweer dat Maria onder dit alles zichzelf van lieverlee is gaan beschouwen als de grootste van alle zondaressen. Ach, waarom heb ik niet beter zorg gedragen voor de mij toe betrouwde Schat? Want het zal toch wel bij ogenblikken haar voor de ziel gestaan hebben, dat haar Kind Jezus de Beloofde was, de Verlosser en Messias. Ach, dit ‘waarom’ dat zij eindelijk in de tempel uitsprak, het had drie lange dagen en nachten loodzwaar op haar hart gelegen en gebrand.

Waarom, waarom…? Geliefden, wij kunnen voorspoed en geluk zo slecht verdragen; het Paradijs is hier op aarde voor ons verloren en wij kunnen er hier op den duur niet in leven of de duivel haalt ons ten laatste nog weg om ons ter helle te slepen.
God moet het geestelijk leven, dat Hij ons eerst Zelf heeft gegeven, vaak weer uitblazen en de gehele wereld in vuur en vlam voor ons doen ondergaan. Anders bekleden wij onszelf met een kleed van uitwendige godsdienst, menen een sterk en welgegrond geloof te bezitten, en vallen tenslotte in een diepe slaap.

Welaan mijn ziel! U leeft immers onder zulk een heerlijke verkondiging, u bent lidmaat van een goede gemeente! En meer van zulke vleselijke voorstellingen: u bent braaf en oppassend, u geeft niemand aanstoot door een goddeloze wandel, enz. Zie, dit is de manier waarop een mens in slaap valt, vermetel en trots wordt en zichzelf gaat zegenen en… zijn God vergeet! Maar de Heere verstaat het – koninklijk en vaderlijk – de Zijnen weer terecht te brengen, te verbrijzelen en te verootmoedigen en zeer, zeer klein te maken. Zo heeft de Heere ook met Jozef en Maria gehandeld om hen op het allerdiepst te verootmoedigen, opdat ze niet trots of vermetel zouden worden. Daarom mochten zij ook eerst niet verstaan, wat Hij tot hen sprak. O, er behoort genade, veel genade toe, om al zulke zware slagen uit de hand des Heeren aan te pakken en te dragen. En alles te doorleven met vertrouwen op God, in Gods Woord Zijn troost te zoeken, zonder aanvankelijk troost en uitkomst te vinden. Want ook de vertroosting der Schriften wordt eerst van lieverlee gevonden en genoten. Gedenk dan, dat ook Jezus’ eigen, dierbare moeder door de Heere op deze kruisweg geleid is geworden.

Maar het staat ook beschreven tot afschrik van allen die des Heeren Woord niet liefhebben. Want indien de Heere Zijn eigen lieve moeder geen harde slagen heeft kunnen en mogen sparen, tot haar eeuwig heil en zaligheid wat zal dan het deel zijn van degenen die hun heil in de wereld zoeken, ‘stelen’ waar zij de kans veilig zien, en de Heere niet zoeken of zij Hem ook vinden mochten. Neem het toch ter harte!
Maar zij die door de Heere even genadig onderwezen en geleerd worden als Jozef en Maria, zullen ook genade ontvangen om niet langer aan de gaven van God te blijven hangen, maar te zeggen met de dichter: ’Wien heb ik nevens U in de hemel: nevens U lust mij ook niets op de aarde’.
Amen!

Uit: Schriftverklaringen, dr. H.F.Kohlbrugge

Komende bijeenkomsten