IK BEN DE WEG
(Johannes 14 vers 6 midden)

Er is een oud verhaal van twee kinderen, van wie de moeder was gestorven, nadat zij hen had verteld dat ze naar de hemel ging. Hun verdere opvoeding viel onder wrede handen. Daarom besloten ze op zekere dag hun meedogenloze opvoedster te verlaten en samen op reis te gaan naar de hemel om weer bij hun moeder te zijn. De hemel, zo dachten zij, was immers niet zo ver. Daar ginds over de velden zagen zij hoe de hemel tot op de aarde reikte. maar hun weg naar de hemel liep uit op een bittere teleurstelling. Hoe ver ze ook gingen, de hemel bleef even ver van de aarde verwijderd.

Arme kinderen, zij vonden de hemel niet. En zeg nu ook maar: arme mensen. Want ook volwassenen kunnen de hemel niet vinden. Laat de grote mensen dan niet zo onnozel zijn als deze twee kinderen, zij kunnen de weg naar de hemel niet vinden.

De één probeert er te komen door het pad van de deugd te betreden. Hij betoont zich in zijn levenswandel onberispelijk en vult zijn leven met goede werken. De ander denkt er te komen langs de weg van boete. Hij legt al zijn geld en goed op het altaar van zelfverloochening en hij trekt zich terug uit de zondige wereld. Een derde volgt de weg van verstandelijke beredenering. Hij heeft een recht getrokken dogmatische lijn uitgedacht, waarvan hij meent dat deze aansluit in de poort en van de hemel.

Een vierde heeft een onderbreking van die weg uitgedacht. Hij meent dat hij na zijn sterven een plaats van loutering zal bereiken, om dan na die zuiverende werking klaar voor de hemel te zijn.

Intussen brengen de volwassenen het er niet beter af dan die twee kinderen, want ook langs deze wegen blijft de hemelafstand even groot en komen nooit de tinnen van de stad van God in het zicht. Verloren is de mens die op zulke wegen zijn vertrouwen stelt.

Er is een hemel en er is een weg naar de hemel. Maar die weg is Christus, en wie naar de hemel wil, die kan alleen langs de weg, Christus. Iedereen wil de hemel, maar niet iedereen wil de weg naar de hemel. Iedereen wil na dit leven de eeuwige zaligheid, maar niet iedereen wil de Zaligmaker.

Het gaat er maar om wat wij onder de hemel verstaan. Is het ons te doen om de hemel van God of om de God van de hemel? Naar de hemel, dat is naar God. En nu worden de hemelzoekers minder. Want, wie is het om God te doen en wie vraagt naar de weg om tot Hem te komen?

Er ligt een scheiding tussen God en de mens, een kloof die van de kant van de mens nooit overbrugd kan worden. God verlaten, dat kon de mens, maar de weg terug kan hij niet vinden. Laat de één bekennen dat hij de weg niet weet, en de ander beweren dat hij de weg wel weet, allen zijn ze afgeweken en niemand heeft zijn Schepper uit zichzelf terug gevonden.

De weg naar God loopt dan ook niet van beneden naar boven, maar van boven naar beneden. Christus, de weg, is van boven neergedaald tot in het diepste moeras van zonde, tot midden in de ellende, in vloek en in de dood. Zo’n weg hadden wij nooit kunnen indenken, want het is de weg van het Goddelijke verlossingsplan. Daarom is op deze weg nog nooit iemand misleid.

“Ik ben de weg”. Wat een Evangelie, als van onze kant alle wegen zijn afgesneden. Als alle hoop om tot God te komen ontvalt en als het zalig hemelleven buiten het bereik komt.

Er is een antwoord voor hen die vragen: is er nog een weg om de welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen?

Christus zegt: Ik ben de weg. Hij zegt niet: Ik weet de weg. Het zou niet genoeg zijn als Hij de weg alleen maar wist. Dan zou Hij alleen maar een wegwijzer kunnen zijn.

Hij zegt ook niet: Ik baan de weg. Dan zou de zondaar zelf moeten tasten en zoeken of hij ook vinden mocht. Evenmin zegt Hij: Ik ga voor op de weg. Want dan zouden de Zijnen nog achterblijven.

De zondaar is met een wegwijzer niet gebaar, hij heeft niet genoeg aan een gebaande weg en is ook met een gids op de weg niet geholpen. Hij moet tot de Vader gebracht worden door de middelaar, Die zeggen kan: “Ik ben de weg”.

Als de weg is Hij ingegaan in het binnenste heiligdom, niet met het bloed van stieren of bokken, maar met Zijn eigen bloed. Toen dat bloed vloeide, scheurde het voorhangsel van boven naar beneden en zo verwierf Hij de toegang tot de Vader. Hebt u die toegang nodig? Is het u om de God van de hemel te doen? Christus is de weg voor Godzoekers, niet voor hemelzoekers. De weg is u gewezen. Wie van Christus heeft gehoord zal niet kunnen zeggen, als de dag van zijn dood er is: ik heb de weg niet geweten. en vreselijk zal het zijn om de weg geweten en niet bewandeld te hebben. Zonder Christus leidt uw weg al verder van God af, totdat u komt in de diepste diepte van eeuwige Godsverlating.

Bekent het toch, dat u niet anders kunt dan dwaalwegen volgen en bedenkt hoe eigen wegen uitlopen op een eeuwige verwoesting. Wat zouden zij, die aan het einde van hun levensjaar de rampzaligheid voor zich zien, die weg zoeken als het nog mogelijk was. maar u wordt nog verkondigd: “Ik ben de weg”. Wie deze weg betreden mag, ervaart ook, dat eigen wegen hoe langer hoe meer worden afgebroken. De toegang tot God de Vader wordt van zijn kant hoe langer hoe meer onmogelijk. Maar naarmate eigen wegen versperd raken, leert hij wandelen op de enige weg. De bijpaden moet ook afgebroken worden, wat het zijn doodlopende wegen.

Zalig wie op deze weg leert vertrouwen, ook al gaat die weg zo diep, dat allen aan Hem geërgerd worden. Ook al wordt die weg zo donker, dat Hij uitroept: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” Want die diepte en duisternis is juist mijn afgrond, en de weg naar de hemel moet juist zo ver reiken. “Ik ben de weg”, d.w.z. Hij draagt zijn volk naar het Vaderhuis. En daar is het eindpunt bereikt, want de verlosten hebben daar geen weg meer nodig. immers daar zien zij God van aangezicht tot aangezicht.

Ds. F. Bakker

Komende bijeenkomsten

Geen evenementen gevonden!