Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij.
(Johannes 14 vers 1)

Geloofsberusting
De woorden van stervende mensen die de wereld verlaten moeten bijzonder overdacht worden, daar ze meest ernstig en gewichtig zijn. Hoe nader de kinderen van God bij de hemel komen, hoe meer zij worden voorbereid voor hun hemelse staat. Zo was het met onze Zaligmaker Christus. Daarom was Hij bezig Zijn discipelen, en ons in hen, te voorzien van goede raad om hun hart te versterken tegen de tijd van Zijn vertrek. Dit blijkt uit de tijd waarin Hij deze woorden sprak. Het was in een tijd toen Hij meer ontroerd had mogen zijn over Zichzelf dan over iemand anders. Toch vergat Hij Zichzelf en het naderende kruis. Hij dacht er aan hoe Hij Zijn discipelen kon versterken en vertroosten. Hij voorzag dat Petrus Hem zou verloochenen en dat de anderen Hem zouden verlaten. Hij voorzag dat zij ontmoedigd zouden zijn wanneer Hij was heengegaan. Toch zei Hij: ‘uw hart worde niet ontroerd’.

O welk een gezegende en zoete Zaligmaker hebben wij. Die méér om ons dan om Zichzelf denkt, zodat Hij Zijn eigen moeite en lijden vergeet en er om denkt hoe Hij Zijn discipelen zal ondersteunen en staande houden. Dit kwam voort uit dezelfde liefde als die welke Hem van de hemel tot de aarde trok. Welke Hem bewoog onze natuur aan te nemen en in die natuur voor te sterven. O, wat mogen wij niet verwachten van die zoete en grote liefde. Opdat de discipelen niet al te zeer terneergeslagen zouden zijn, zei Hij uit dezelfde ingewanden van liefde en medelijden: ‘uw hart worde niet ontroerd’.

Hij wist dat Zijn discpelen reeds in de staat van genade waren. Doch Hij voorzag dat zij zodanig waren, dat zij zouden zondigen. Ja, dat Petrus Hem zou verloochenen. En toch kon Zijn voorkennis van de ontrouw van Petrus en de anderen, Zijn liefde en medelijden jegens hen niet wegnemen. Welk een genadige en ontfermende Zaligmaker hebben wij. Hij voorziet welk kwaad wij zullen doen. en wanneer wij het gedaan hebben, maakt Hij er geen gebruik van tegen ons, maar is Hij zeer zorgzaam voor ons om ons te bewaren van te veel verslagenheid. Hij wist dat wij zo ontrouw jegens Hem zouden zijn. Maar Hij nam onze natuur aan opdat Hij een barmhartige Hogepriester mocht zijn.

Christenen moeten onderscheid maken tussen verslagenheid en droefheid. Het zou zonde geweest zijn in de discipelen zo zij niet bedroefd waren geweest, zowel als het zonde zou geweest zijn zo zij onmatig verslagen waren geweest. Niemand is meer gevoelig dan christenen. Zij zijn bezorgd wanneer tegenheden hem overkomen.

Na dat Hij de discipelen vermaand had tegen onmatige ontroering, toont Hij hun de weg aan, waardoor zij mogen worden opgericht . ‘Gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij’. Wij hebben te geloven in God en Christus de Middelaar. Wij moeten beiden hebben als grond voor ons geloof. Wij kunnen niet in God geloven zo wij niet geloven in Christus. Want God moet door God verzoend worden en door Hem, Die God is, moet de verzoening toegepast worden, namelijk door de Geest van God, door het geloof in het hart te werken en op te richten wanneer het verslagen is. In geloof is alles bovennatuurlijk. De dingen die wij geloven, de belofte, de Heilige Geest die het geloof werkt, ja alles in het geloof is boven de natuur. er moet een God zijn in Wie wij geloven en een God door Wie wij geloven. Indien God niet door God was voldaan, zou het geweten nooit bevredigd kunnen worden. Dan zou er altijd twijfel overblijven. Indien de Heilige Geest het hart niet gerust stelt, het niet volkomen overtuigd van de algenoegzaamheid van de voldoening, zo zou de zondaar nooit kunnen geloven. Daarom, ‘gij gelooft in God, gelooft ook in Mij’, want Christus zegt daarmee: Ik ben God.

Wanneer wij nu vragen of de discipelen niet reeds geloofden, zo kunnen wij antwoorden dat zij reeds geloofden. Maar zij hadden vernieuwing of versterking van hun geloof nodig. Want andere tijden zouden aanbreken en de moeiten zouden vermenigvuldigen. ‘Gelooft in Mij’, het is alsof Hij zei: nu komen omstandigheden waarin gij gebruikt moet maken van uw geloof. Ik zal weggenomen worden uit uw gezicht. Gij moet Mij zien lijden. En dan zal een buitengewone mate van geloof nodig zijn voor u om Mij zo vernederd te zien en toch te geloven dat Ik God ben.

Richard Sibbes

Komende bijeenkomsten

Geen evenementen gevonden!