Dankdag: de goedertierenheid Gods

Of veracht gij de rijkdom Zijner goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?
(Romeinen 2 vers 4)

Wat is de bedoeling in de rijkdom die de Heere schenkt? Waarom is God zo goedertieren? Wat zou de Heere daarmee bedoelen, dat we iedere dag overladen worden met Zijn gunst? Dat zegt de Schrift ons ook: opdat de goedertierenheid Gods u tot bekering zou leiden. ‘Of weet ge niet’, zegt Paulus, ‘dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?’ Daarom schenkt God deze zegeningen. Het is de tijd der genade. De lankmoedigheid van God wijst erop dat de Heere uitstelt. Ons vonnis ligt klaar vanwege onze schuld en zonde. Maar God heeft gezegd: Wacht nog even met de volvoering van dat vonnis. Geef de mensen nog gelegenheid in de tijd van Mijn lankmoedigheid, opdat ze zich zouden bekeren. Opdat het uitgestelde vonnis nog een afgesteld vonnis zou worden in de weg der bekering. ‘Of veracht gij de goedertierenheid Gods, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?’ zegt Paulus. Sommigen menen dat het de angst is en dat het de benauwdheid is die tot bekering leidt. Sommigen dat het de zwaarheid is die tot bekering leidt. Maar o, dan zijn er al zo veel bang geweest, dan zijn er al zo veel geweest die hebben liggen kruipen vanwege de angst voor de straf op de zonde; en dat er nooit wat van terechtgekomen is. Zij zijn die angst toch weer kwijtgeraakt in de werelddienst of in de godsdienst. ‘Neen’, zegt Paulus, ‘het zijn de goedertierenheden Gods, die u tot bekering leiden.’ Zeker, Paulus zegt ook: ‘Wij dan, wetende de schrik des Heeren.’ O zeker, en de dichter van Psalm 116 moest het beleven en met hem al Gods volk: ‘Ik lag gekneld in banden van de dood; daar de angst der hel mij alle troost deed missen.’ Zeker, dat is een element dat in de bekering niet gemist kan worden. Het is erg genoeg dat er zo weinig kennis is aan deze angst der hel. Maar de strafwaardigheid wordt juist erkend in het licht van Gods goedertierenheid. Dan wordt dat een schuld tegenover de liefde Gods. Dan wordt dat een zonde tegenover een goeddoend God. Als het niet gezien wordt dat we tegen de goedertierenheden Gods gezondigd hebben, als het alleen maar angst is voor de dood en de hel, och, dan zal de mens zich nooit bekeren. Een benauwd mens is nog geen bekeerd mens. In de goedertierenheden Gods, als die hem te sterk worden, ligt de bekering. Als de goedertierenheden Gods ons eens beginnen te omringen, als we daar eens oog voor mogen ontvangen, als de liefde Gods ons eens te sterk mag worden, dan kan het niet anders of dan volgt er een onberouwelijke bekering tot zaligheid.

Die goedertierenheid is een leidsman. Die neemt de mens mee in het licht des Geestes naar twee plaatsen. Die neemt hem mee naar God en naar zichzelf.

Want in dat licht gaat hij zien wie God is en wie hij zelf is: een goeddoend God en een slecht mens. Met die twee dingen krijgt u te doen in de weg der bekering. Dan is het de liefdestem Gods die in het hart begint te knagen, als de Heere zegt: ‘Wat heb Ik u misdaan? O betuig tegen Mij.’ Heb Ik u ooit kwaad gedaan, dat ge zo de rug tot Mij keert? En daar wordt het gezien dat God nooit dan goed heeft gedaan en dat wij nooit dan kwaad hebben gedaan. Daar wordt de mens schaamrood tegenover God. Daar wordt hij een gebrokene van hart. Daar wordt hij vernederd. Daar wordt hij vertederd onder de goedertierenheden Gods. Daar wordt het: nooit heeft iemand zo veel kwaads tegen zo veel goeds bedreven.

Paulus zegt: ‘Opdat het mag leiden tot bekering’, namelijk om te zien wie God is en wie we zelf zijn. Dan wordt hij schuldig, dan wordt hij strafwaardig. De straf kan de mens niet bekeren, maar de strafwaardigheid brengt de mens tot bekering. Dan wordt het: wie ben ik, wie ben ik? Jakob zegt bij al zijn zegeningen: ik ben geringer dan al deze weldaden. Met andere woorden: ik ben er te gering voor, ik ben er te slecht voor. Dan komt de mens op de plaats, in de weg van de ootmoed. Dan moet hij het verliezen van de goedertierenheden des Heeren. Kijk, dat is de bedoeling Gods, dat de goedertierenheden des Heeren ons tot bekering mogen leiden. Want de Heere geeft geen stukje brood in onze mond of Hij zoekt daarin onze bekering. Is dat niet een wonder? U zou denken dat God de mens moet navolgen met de ene ramp na de andere. In plaats daarvan gaat de Heere ons nawandelen met Zijn goedertierenheid. Kijk, daar staan we voor, voor deze verantwoording, want de Heere wacht tot het eens dankdag in ons leven zou worden. De Heere wacht op een plaats van berouw.

God wacht op onze ootmoed, op onze vernedering, op onze vertedering onder Zijn goedheid. Dat is ootmoed. Want er is nooit een waarachtig danken zonder ootmoed. Dat is de bekering: als God ons te sterk wordt in Zijn bemoeienissen, waarmee Hij ons overlaadt; als we niet meer tegen de liefde Gods op kunnen. Dan houdt de klacht op. Dan wordt er nog wel geklaagd, maar dan wordt het: ‘Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden.’ Dan klagen we niet meer over de omstandigheden, niet meer over God, maar dan leren we klagen over onszelf. Dan is een dankdag niet gebonden aan voorspoed, dan kan het zelfs dankdag zijn op het ziekbed, dankdag in de tegenspoed. Want om eens echt dankdag te houden is er maar één ding nodig en dat is: te zien wie we zelf zijn tegenover God. Dan wordt het: ‘Heere, ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak inkomt. Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens.’ Dan worden we rechteloze mensen.

Als de goedertierenheden Gods ons niet bekeren kunnen, dan moeten we er niet op rekenen dat er nog iets anders is dat ons bekeren moet. Dan moet ge niet menen dat het nog langs een andere weg moet. Als Gods liefde ons niet breken kan, is er niets anders dat ons tot bekering kan brengen. Dan kunt u het overal in zoeken en dan kunt u het overal van verwachten.

De bekering ligt in de gewone dagelijkse dingen, waarin God ons te sterk moet worden. Onze grote fout is dat we de bekering te veel zoeken in de theorie en in een diepgang die van onszelf is. Maar om eens echt schuldenaar onder God te worden, dat ligt zo eenvoudig. Wanneer men als het ware geconfronteerd wordt met de meest gewone dingen, met de kleinigheden die men van God mag ontvangen, dat God de mens te sterk wordt in Zijn liefde.

Wie kan het tellen, al het kwaad dat we bedreven hebben? En daartegenover al het goede van de Heere ontvangen. O, dat we dan niet in de gaven eindigen mogen, maar in de Gever. Dan staat u niet als een farizeeër te danken in de tempel. Want wanneer het eens echt dankdag mag zijn, uit de ootmoed geboren, neen, dan staat u niet rechtop, maar dan wordt u een verbrokene van hart. En een verbrokene van hart wil God niet verachten.

Ds. F. Bakker

Komende bijeenkomsten

Geen bijeenkomsten gevonden!