En Hij zeide tot hen: wat zijt gij vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof?
(Markus 4 vers 40)

Als de gelovige dikwijls of ook slechts nu en dan toegeeft aan twijfel en vrees of hij wel deel heeft aan Christus, dan zal dit in bijzondere mate ertoe bijdragen om zijn geloof te verzwakken. Geen oor- zaak kan stelliger zijn in haar gevolgen dan deze. Als het waar is dat de oefening van het geloof de kracht daarvan ontwikkelt, dan is het even waar dat het voortdurend toegeven aan twijfel aan onze vergeving en aanneming als een kanker aan de wortel van het geloof moet knagen. Elk wantrouwen dat gevoeld wordt, elke twijfel die wordt gekoesterd, elke vrees waaraan wordt toegegeven, alle klagen en tobben over de donkere wegen van de voorzienigheid Gods leiden ertoe dat de ziel losgemaakt wordt van God en dat haar blik op Jezus wordt beneveld.

Twijfelen aan de liefde, de wijsheid en de getrouwheid van God, twijfelen aan de volkomenheid van het werk van Christus, aan de werkingen van de Geest in het hart, wat is er dat meer de neiging heeft om deze kostelijke gave van de genade te verzwakken? Telkens als de ziel wegzinkt onder de druk van een vertwijfeling aan haar deel aan Christus, moet dit een verzwakking ten gevolge hebben van haar gezicht op de heerlijkheid, de volkomenheid en de algenoegzaamheid van Christus’ werk. Maar zo’n twijfelende christen is er zich slechts gebrekkig van bewust wat een oneer Jezus wordt aangedaan door zijn vrees en ongeloof, wat een blaam hiermee wordt geworpen op Zijn kostelijke werk van de verzoening en verlossing. Het is een verborgen verwonden van Jezus, hoe de ziel ook terug moge schrikken voor deze gevolgtrekking. Het is een verlaging en onderschatting van Christus’ gehoorzaamheid en dood, van dat heerlijke werk van de verlossing, waarin de Vader verklaard heeft een welbehagen te hebben; dat werk waarmee de Goddelijke gerechtigheid zich voldaan heeft erkend; dat werk op grond waarvan iedere zondaar – die zich als zondaar heeft leren kennen – verlost is en miljoenen verloste zielen zich nu verblijden rondom de troon. Dat werk, zeggen wij, wordt gesmaad en onderschat door elke vrees die door een kind van God in het verborgen wordt gekoesterd of openlijk wordt uitgesproken.

Als een gelovige meer ziet op zijn onwaardigheid dan op de gerechtigheid van Christus, als hij veronderstelt dat er niet voldoende verdienste in Jezus is om te voorzien in het algehele ontbreken van verdienste in hemzelf, wat is dit dan anders dan het verheffen van zijn zondigheid en onwaardigheid boven de oneindige waardij, de volheid en algenoegzaamheid van Christus’ verzoening en gerechtigheid? Er is onder dierbare heiligen van God heel veel last van valse nederigheid. Er zijn mensen die zich inbeelden dat het een kenmerk is van ootmoed om altijd aan hun genadestaat te twijfelen. Maar dat is – vergun mij het te zeggen – veeleer het kenmerk van het tegenovergestelde. Ware ootmoed neemt het getuigenis van God aan, gelooft omdat Hij gesproken heeft, rust en betrouwt in het bloed en de gerechtigheid en de algenoegzaamheid van Jezus, omdat Hij gezegd heeft: Die geloofd zal hebben…zal zalig worden. Dit is de ware nederigheid, de zalige vrucht van de Eeuwige Geest.

Ik mag tot Jezus gaan zoals ik ben, als een arme, verloren, hulpeloze zondaar. Ik mag tot Hem gaan zonder voorafgaande toebereiding. Ik mag tot Hem gaan, roemend in mijn zwakheid, mijn gebrekkigheid, mijn armoede. En zo mogen de vrije genade, het vrijmachtige welbehagen en de oneindige verdienste van Christus openbaar worden in mijn volle vergeving, algehele rechtvaardiging en eeuwige heerlijkheid.
Er is in de weigering van een ziel om Jezus ten volle aan te nemen meer hoogmoed, meer eigengerechtigheid en meer van het beginsel dat God tot een Schuldenaar zou willen maken, dan men wel zou denken. Er is in een eenvoudig, gelovig betrouwen op Christus, zoals de in zichzelf verloren zondaar Hem aanneemt tot zijn gerechtigheid, zijn vergeving, zijn heerlijkheid, meer echte, diepe ootmoed dan een sterveling vermag te doorgronden. Twijfel is altijd vrucht van hoogmoed. Nederigheid is altijd de dienstmaagd van het geloof.

Uit: Morgengedachten – Octavius Winslow (1808 – 1878)