• " Ja, zalig zijn degenen die het Woord Gods horen en hetzelve bewaren " Lukas 11 vers 28

Meditatie

Eén ding is nodig

En Jezus hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, uw zonden zijn u vergeven. (...) Ik zeg u, sta op en neem uw beddeken op en wandel.
(Markus 2 vers 5 en 11)

Het is een heel gesjouw voor die vier mannen. Met z’n vieren klimmen ze via de trap het dak van het huis op. In hun midden dragen ze hun vriend. Hij is verlamd. Bij de deur van het huis was het zo vol, dat ze daar niet naar binnen kunnen. Daarom het dak maar op. Ze rukken wat tegels weg. Dan laten ze hun vriend op zijn ligmat zakken, totdat hij rust voor de voeten van Jezus. Dat is ook de bedoeling. Gelooft u ook dat hij daar op de goede plaats ligt?

Veel te zeggen hebben zij niet. Er staat niet dat zij iets voor hun verlamde vriend hebben gevraagd. Nee, ze hebben het alles zwijgend gedaan. En wees eens eerlijk, soms kùn je ook niets meer uitbrengen. Er is een onbeschrijflijk verdriet. Van uzelf, of van een ander. Misschien uw zieke man, vrouw, vader, moeder, zoon, dochter, broer, zus, nicht, neef, vriend of vriendin. U hebt al wat afgetobd over het lichamelijk of psychisch lijden van die ander. U bracht deze persoon bij de Heere. Wie kan de gebeden tellen die voor hem of haar zijn opgezonden? Gebeden om beterschap, om genezing, om rust voor de psychisch lijdende. Het lijden werd er niet minder om, dat maakt het zo moeilijk. De ziekte gaat door, de duisternis wordt zwarter. Gebeden worden korter, en soms zelfs woordeloos. Zoals bij deze vrienden. Maar dat geeft niet. Want, als wij niet weten te bidden zoals het behoort, dan bidt de Heilige Geest in ons met onuitsprekelijke zuchtingen. Hij kent de taal van uw hart, ook als u voor de ander bidt. Misschien zijn dan geen woorden nodig, zoals hier. Want Jezus ziet. In hun woordeloos neerleggen van de zieke vriend aan Zijn gezegende voeten, ziet Hij hun geloof. Geloof heeft niet per se woorden nodig. En Jezus ook niet. En weet u, als onze woorden ophouden, zijn er dan niet de beloften van God waaraan we ons mogen vastklampen?

Vergeving primair
Hij kijkt naar de zieke vriend, en zegt: ‘Zoon, uw zonden zijn u vergeven’. U vraagt zich af of Jezus het wel begrijpt. Hiervoor hebben de vrienden hun vriend niet bij Jezus gebracht! Hij is verlamd, en ze bedoelen: ‘Wilt U hem beter maken zodat hij zijn kracht weer terugkrijgt?’ Vergeving van zonden? En toch denkt Jezus daar anders over. De ziekte is niet het primaire probleem. Er is een dieper, een fundamenteler probleem, dat is de zonde van het hart. Dat moet eerst worden opgelost. Er moet vergeving zijn. Dat maakt alles zo anders... Want, wat zou de verlamde man eraan hebben als hij opsprong door Jezus’ kracht, en voortaan huppelend door het leven zou gaan, en tenslotte zou staan voor Christus, als Hij in heerlijkheid komt op de wolken van de hemel? Wat hebt u eraan als u met een gezond lichaam staat voor de Rechter van hemel en aarde, en uw zonden zijn niet vergeven? Het zal wat zijn met een gezond lichaam in het helse vuur geworpen te worden, zoals Jezus Zelf zegt in Mattheüs 5.

All-in
De zonde is het probleem dat eerst uit de weg moet worden geruimd. En dat is wat Christus hier bedoelt: ‘Zoon, uw zonden zijn u vergeven’. Eén ding is nodig. En bij God is niets gedeeld, Hij is Zelf één. Maar wat Hij doet is ook één. Ik bedoel: Zijn heil is ‘all-in’: het omvat ziel en lichaam. Want, hoor wat Hij daarna zegt in vers 11: ‘Ik zeg u, sta op en neem uw beddeken op en ga heen naar uw huis’. Op vergeving volgt genezing. De verlamde staat op, en neemt zijn ligmatje op, en vertrekt naar huis. Vergeving èn genezing. En dat is wat ik bedoel met ‘all-in’. Want al is uw man of vrouw, vriend of vriendin, uw vader of moeder, uw broer of zus, uw zoon of dochter in grote nood, of erg ziek: als zij vergeving van zonden hebben, komt het goed, hoe dan ook. Is het niet hier en nu, dan straks en daar. Misschien dat de ziekte blijft, doorgaat, en hij of zij er zelfs aan sterft. Maar dàn gaat zeker en ten volle het heil in vervulling. In Jesaja 33 vers 24 staat dat geen inwoner in die heerlijke heilsstaat zal zeggen: Ik ben ziek. En waarom? Want: het volk dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben. Er is vergeving, en nu is er ook genezing. Die verlamde lag op de grond, voor Jezus. Hij ontving vergeving, dat eerst, maar was nog steeds verlamd. Veel tijd zal er bij hem niet tussen vergeving en genezing gezeten hebben. Bij anderen wel. Dat is aan God. Maar, als de lijdende, die u steeds in het gebed bij Jezus brengt, vergeving ontvangt van zijn of haar zonden, dan ziet hij of zij het aangezicht van Jezus. Dàt wekt verwachting, hoop. Want, als Hij de ziel redt, dan ook het lichaam. Hij doet geen half werk. Dat is toch onze troost in leven en in sterven? Dat ik met lichaam en ziel, beide in leven en sterven het eigendom ben van Jezus Christus, mijn getrouwe Zaligmaker. We mogen dan weten dat Hij alles volkomen heel zal maken, ziel en lichaam. Dan mag zelfs in de nacht van smart en zorgen gezongen worden van Hem en met vertrouwen gezegd worden: “Maar de HEER’ zal uitkomst geven!” Wij leven in hoop op wat God doen zal. We leren door de Heilige Geest niet te staren op onderdelen, maar op het geheel van het heil. Hij is immers een God van volkomen zaligheid.

Gezamenlijk gebed
Kom, breng uw vriend, vriendin, zoon, dochter, man, vrouw, broer of zus, vader of moeder in nood bij Jezus, liefst met elkaar. Waar ligt hij of zij beter, dan aan Zijn voeten? En zag Hij niet hun geloof? Al schijnt hier het water te overstromen, en daar het vuur te bedreigen, en wordt de nacht nog zo donker, en hoe vertwijfeld we dan ook kunnen raken: Hij weet wat Hij doet. Juist als we voor het water staan, zoals voor de Rode Zee, dan baant God een pad. Als de golven ons overstromen, brengt Hij de zee tot bedaren. Of, zoals een gemeentelid verwoordde: ‘Voor mijzelf is altijd het punt dat zelfs al overstromen de golven mij en brengt Hij de zee niet tot bedaren, dan nog is het goed omdat Hij erbij is’. Hij zorgt dat Zijn lof zal klinken, juist na, ja wat zeg ik, ìn de zwartste nacht.

Ik lag gekneld in banden van de dood;
Daar d’ angst der hel mij alle troost deed missen;
Ik was benauwd, omringd door droefenissen;
Maar riep de HEER’ dus aan in al mijn nood:

“Och HEER’, och wierd mijn ziel door U gered!”
Toen hoorde God, Hij is mijn liefde waardig.
De HEER’ is groot, genadig en rechtvaardig,
En onze God ontfermt Zich op ’t gebed.


Dan zal er vroeg of laat een dag aanbreken dat u en degene waarover God Zich op uw gebed ontfermde, mogen wandelen, net als de verlamde. Wandelen... in het vrolijk levenslicht. En wat is dat anders, dan te zien het vriendelijk aangezicht van God in vrede. Want er is vergeving van ongerechtigheid.

Kand. D.A. Pater, Veenendaal

  • © hersteld hervormde kerk 2021

Heeft u vragen over het geloof?

Open Sluit