• " Ja, zalig zijn degenen die het Woord Gods horen en hetzelve bewaren " Lukas 11 vers 28

Meditatie

Een opmerkelijke belijdenis

‘Ik ben zwart, doch liefelijk.’ (Hooglied 1:5a)

We lezen in de tekst hetgeen Sulammith, de bruid van Salomo, van zichzelf belijdt: Ik ben zwart. Dat is een opmerkelijke belijdenis. U moet weten, dat terwijl in onze tijd vaak geldt: hoe bruiner, hoe mooier, het in het oosten net omgekeerd is: hoe blanker, hoe schoner. En nu moet de bruid van haarzelf in vers 6 belijden: Ik ben zwart. Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen. Ze gevoelt zichzelf het tegenovergestelde van schoon. Namelijk vuil, afzichtelijk.

Is dat ook niet de belijdenis van de Bruidskerk? De Heilige Geest opent de blinde zielsogen en houdt de spiegel van Gods heilige Wet voor. Zodat je jezelf in je ware gedaante gaat zien. De blinddoek wordt afgenomen. En met schrik en beving ontdek je wie je bent. Ik ben zwart.

De Bruid weet zich bedekt en besmeurd met ontelbare zonden. Ik ben zwart, dat is haar smart! Kent u en ken jij die smart? Is onze zondigheid, onze onreinheid ons tot smart geworden, zodat we ons voor de Heere wegschamen? Of beaamt u het allemaal wel; u weet dat het niet goed met u is; maar tegelijk zegt u: ‘Het is nu eenmaal zo’. En: ‘Wat kan ik er eigenlijk aan doen?’ Hoe wordt het anders? De Heilige Geest! Hij overtuigt van zonde. Van daadwerkelijke zonden en aangeboren zonde. Dat is de wettische overtuiging. Daar weet de Bruid door genade vanaf. Maar ze heeft ook kennis gekregen aan de evangelische overtuiging. Daar spreekt ze van, als ze zegt: Ik ben zwart.

Want dit zegt ze, nadat ze door de Koning in de binnenkameren is gebracht (vers 4). Nadat ze Zijn uitnemende liefde heeft mogen proeven en smaken. Uit die binnenkamers kwam ze zwarter dan ooit tevoren naar buiten. Hoe nauwer de Bruidskerk verenigt mag zijn met haar Liefste, hoe meer ze ontdekt wordt aan eigen verdorvenheid en zondigheid. Daarom zegt ze niet: Ik wás zwart, maar ik bén zwart. Zo ook Paulus. Hoewel hij mocht weten dat niets hem van de liefde van Christus kon scheiden, beleed hij: Ik bén vleselijk, verkocht onder de zonde.

De blankheid van de Bruidegom brengt de zwartheid van de Bruid meer en meer aan het licht. Zo is dat in het leven van de heiligmaking. Daarin krijgt een kind van de Heere zichzelf des te meer te mishagen. Dat is een onbegrepen weg. Want u dacht nadat u tot genade kwam, dat de kracht van de zonde er voorgoed onderlag. En nu u, na pas ontvangen genade, moet bemerken: ik ben zwart gebléven, kan er radeloosheid zijn in je ziel. Zou de Heere dan wel met mij begonnen zijn? Hoe kan dit met genade bestaan? Die vragen houden je bezig, naast de belijdenis: Ik ben zwart, ik heb niets meer, ik kan niets meer, ik weet niets meer. Waar gaat het heen? Naar de belijdenis: met mij kan het nooit meer iets worden.

Echter, als de Bruid belijdt: Ik ben zwart, dan spreekt zij vanuit het zaligmakend geloof, dat werkzaam, in oefening is. Daarom volgt er ‘iets’ op. En dat ‘iets’ komt niet bij haar vandaan, maar bij haar Liefste. Het is juist alles in Hem, buiten haarzelf. Dat heeft ze geleerd door een geschonken geloof. Hoor maar wat ze betuigt: Ik ben zwart, doch liefelijk. Zwart ben ik en blijf ik, ziende op mijzelf. Liefelijk ben ik in Hem, Die mij heeft liefgehad. Als ze dit laatste belijdt, mag ze uitgaan uit zichzelf en van harte gelovig neerzinken op Christus, Die haar alles is geworden. Zij heeft van haarzelf niets dat haar liefelijk maakt. Helemaal niets! Dat is ze aan de weet gekomen. Ik ben zwart. Daar kan ze niet om heen. Maar toch liefelijk. Doch liefelijk. Dat is het wonder. Dat nu God in Christus redenen heeft genomen uit Zichzelf om een zwarte Bruid te beminnen en zo’n harteloze Zijn liefdeshart te schenken.

Hij heeft haar gelokt en gebracht in de woestijn en aldaar tot haar hart gesproken. Haar gebracht in Zijn binnenkameren. Daar heeft Hij Zichzelf geopenbaard en haar met de rode mantel van Zijn bloed gerechtigheid overkleed. Daar mocht ze zich verliezen in Hem en ondergaan in Zijn gadeloze ontfermende liefde. En ze mag weten door de onderwijzing van Gods Geest: Ook al ben ik en blijf ik zwart, Zijn bloed reinigt, verzoent en zuivert mij. En in Zijn niet aflatende trouw wijkt Hij nimmermeer van mij.

Zo mag de Bruid belijden wie zij én wie Hij is. Beste lezer, is Christus ook aan u zo geopenbaard? Dan hebt u twee (geloofs-) ogen ontvangen. Met het ene oog van uw ziel ziet u uzelf en belijdt u: Ik ben zwart. Maar met andere oog mag u zien buiten uzelf zien op de Bruidegom en belijden: Doch liefelijk. En terwijl u dat zegt, hunkert uw ziel naar Hem. Dorst uw hart naar de gemeenschap met Hem en verlangt u ernaar om daar te zijn, waar Hij nu is.

De dochters van Jeruzalem, tegen wie de Bruid de belijdenis van onze tekst spreekt, waren geen vreemdeling gebleven van genade. De Heere is Zijn genadewerk in hen begonnen. Maar de verheven geloofstaal van de Bruid kennen zij nog niet. Als dat nu ook zo is met u, vraag en jaag er dan naar om Hem meer en meer te leren kennen. Het is immers Zijn lust om Zich weg te schenken aan zwarten in zichzelf en hen te troosten door Zijn Heilige Geest.

En als u van het genoemde (nog) helemaal niets kent, ach dan bent u zwart en niet liefelijk. Dan bent u verloren. De Heere heeft echter geen behagen in uw ondergang. Daarom breidt Hij heden Zijn handen nog uit en roept u toe: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden!

Ds. D. Zoet, Kesteren

  • © hersteld hervormde kerk 2026

Heeft u vragen over het geloof?

Open Sluit