- " Ja, zalig zijn degenen die het Woord Gods horen en hetzelve bewaren " Lukas 11 vers 28
Geen blijvende stad
‘En Jacob woonde in het land der vreemdelingschappen zijns vaders, in het land Kanaän.’ (Gen. 37:1)
In dit hoofdstuk is Jacob op hogere leeftijd gekomen. Een moeitevol leven ligt grotendeels achter hem. Wat een strijd is er door hem gevoerd. Eerst met zijn broeder Ezau over de eerstgeboortezegen. Zijn naam was Jacob. Deze naam betekent niet bedrieger zoals vaak wordt uitgelegd. Dit is immers de uitleg van Ezau. Hij geeft deze negatieve verklaring aan deze naam. Oorspronkelijk had deze naam de betekenis van hielhouder. U vindt de juiste verklaring van deze naam in de kanttekening op Hosea 12 vers 4: ‘In moeders buik hield hij zijn broeder bij de verzenen en in zijn kracht gedroeg hij zich vorstelijk met God.’ De kanttekening verklaart dan: ‘Tot een teken dat God Jacob het recht der eerstgeboorte uit loutere genade had toegelegd, dat hij door het recht der natuur niet kon hebben.’
De verklaring van onze vaderen maakt duidelijk dat God hier niet de weg van het recht der natuur gaat, namelijk de oudste kreeg als vanzelfsprekend de eerstgeboortezegen, maar God volvoert Zijn Raad en geeft uit loutere genade het eerstgeboorte recht aan Jacob. Dit is de betekenis van de naam Jacob. Het wijst meer op Gods verkiezende liefde zoals de profeet Maleachi dit weergeeft: ‘Nochtans heb Ik Jacob liefgehad. En Ezau heb Ik gehaat’, Mal.1:2b en 3a. Dat Jacob bedrogen heeft en zichzelf als een bedrieger heeft leren kennen is een andere zaak. Dat hij eigen gekozen wegen ging om dit eerstgeboorte recht, wat zijn moeder als belofte reeds voor zijn geboorte kreeg, is eveneens duidelijk. Zijn naamgeving spreekt echter van Gods verkiezend handelen. Het leert ons dat de HEERE nooit de weg van de vanzelfsprekendheid gaat. Hij leert ons door genade zien dat wij alle rechten verloren hebben en leert ons buigen voor de leer van loutere genade en Zijn welbehagen. Is dit ook reeds uw ervaring? Zalig worden is immers een onverdiend groot wonder.
Jacob heeft veel strijd gekend in zijn leven. Strijd om de zegen te verkrijgen. Zodra hij echter deze zegen ontvangen had, moest hij vluchten voor de doodsdreiging van zijn broeder Ezau. De zegen hield in dat hij zou heersen over zijn broeder, maar voorlopig moest hij voor hem vluchten. De HEERE gaat wonderlijke wegen. Het lijkt zo vaak tegengesteld. David kreeg de belofte van het koningschap, maar werd sinds zijn zalving te meer veracht door zijn broeders en vervolgd door koning Saul.
Wanneer u door Gods genade uzelf recht leert kennen als zondaar, maar ook de belofte Gods van verzoening en vergeving in Christus mag leren verstaan, dan ontstaat er strijd. De goede strijd des geloofs. Dan gaat u pas recht leren zien hoe ver en diep de eis van Gods heilige wet is. Ze oordeelt niet alleen over onze werken en woorden, maar ook over onze gedachten. Het doet David belijden: ‘In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien, maar Uw gebod is zeer wijd.’ (Ps. 119:96) U leert tevens zien hoe diep de zonde wortel geschoten heeft, ja wat een onuitroeibaar kwaad dit is. Juist wanneer u verlangt naar Gods geboden beginnen te leven, krijgt u te maken met de macht van de vorst der duisternis tegen u, de verzoekingen en de verleidingen van de wereld om u en de oude mens in u. Dan ontbrandt pas goed de strijd tussen vlees en de Geest, tussen het Licht en de duisternis.
Er staat nog een zelfde tegenstelling in de tekst. Er wordt gesproken van het land der belofte. Hij is woonachtig in Kanaän. Dit land is nog in het bezit van de heidenen en toch is het de erfenis van Jacob en zijn nageslacht. Hij gaat door dit land en ziet de heidense volken, zij lijken de bezitters te zijn. Zij hebben aan Abraham voor een groot bedrag een stukje verkocht als begraafplaats voor Sara. In de belofte Gods is het echter hun land en erfdeel. Zo zingt de dichter nog in de overbekende Psalm 25 vers 6: ‘En zijn God geheiligd zaad; zal ’t gezegend aardrijk erven’.
De grote toekomst, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waarop gerechtigheid wonen zal, is het deel van al degenen die nu nog in het strijdperk van dit leven verkeren. Wellicht worden zij veracht en bespot en wor-den zij niet voor vol aangezien, maar de aarde is des HEEREN en Zijn volheid. Voor allen die in Christus geloven is deze toekomst weggelegd, al lijkt er soms voor hen geen plaats te zijn op aarde. Wellicht dat we van nog een tegenstelling kunnen spreken in de tekst. Jacob wandelt door het land der belofte. Het is de rechtmatige erfenis in de belofte door God toegezegd en geschonken. Er staat echter, dat hij woonde in het land der vreemdelingschappen. Hij is hier niet thuis. Hij heeft beleden voor de inwoners van dit land een gast en vreemdeling te zijn.
Hij kon met David wel meezingen: ‘Ik ben o HEERE, een vreemd’ling hier beneên; Laat Uw geboôn op reis mij niet ontbreken.’ (Ps.119:10) Zij zijn op doorreis. De ware rust is elders. Een vreemdeling is niet in zijn vaderland, spreekt de taal en voegt zich niet naar de gewoontes van het land waar hij verblijft. Hij heeft een andere spraak, een ander doel, een andere Leidsman. Kennen wij deze geloofsstrijd? Is onze handel en wandel gekenmerkt door het Bijbelse vreemdelingschap? Is de vreze Gods ons deel? Gods Kerk wordt ons in het Woord getekend in hun fouten, gebreken en zwakheden, maar ook tonen zij de vruchten van bekering en geloof, van een wandel in afhankelijkheid aan de troon der genade en verbondenheid aan het Woord en de Wet Gods. Is dit ook uw wandel?
Ds. D. Heemskerk, Uddel