- " Ja, zalig zijn degenen die het Woord Gods horen en hetzelve bewaren " Lukas 11 vers 28
De rechtvaardiging van de zondaar voor God
En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is. (Rom. 3:24)
Paulus zegt dat wij uit Zijn genade gerechtvaardigd worden, maar hij voegt er bij: door de verlossing die in Christus Jezus is. Ziedaar het grote raadsel opgelost hoe God straf- en vloekwaardige zondaren kan en wil rechtvaardig verklaren. En dat wij deze verlossing niet door Zijn leer moeten opnemen, maar wel van Zijn aangebrachte offerande, van Zijn gehoorzaamheid aan de wet van God, van Zijn lijden en sterven, dat blijkt vooral uit de verklaring die de apostel er zelf van geeft. Hij zegt dat God Christus voorgesteld heeft tot een verzoening door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid. Dat Christus overgeleverd is om onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking. Want gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Éen velen tot rechtvaardigen gesteld worden.
De troostrijke waarheid, dat Christus niet maar ten voordele van zondaars leefde en stierf, maar dat Hij Zich in hun plaats heeft opgeofferd, voor hen de straf der zonde, de vloek heeft gedragen en een volmaakte gehoorzaamheid heeft aangebracht, dat is de sleutel van onze rechtvaardiging voor God. Wij worden daarom gezegd met Christus gekruist, gestorven en begraven te zijn, ja met Hem te zijn opgewekt en geplaatst in de hemel. Christus heeft ons verlost van de vloek der wet, door Zelf voor ons een vloek te worden, en opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Omdat Hij Heere was over Zijn eigen leven, had Hij ook de macht en het recht om dat leven voor anderen op te offeren en zo de Plaatsbekleder bij God voor anderen te zijn.
Maar hoe wordt nu Zijn gerechtigheid de onze? Dit verklaart Paulus in de volgende verzen: Wij worden door het geloof gerechtvaardigd. Het is het geloof, waardoor de mens uit zichzelf tot Christus gaat, waardoor hij Hem aanneemt en met Hem verenigd wordt, gelijk de rank met de wijnstok of het hoofd met de leden van het lichaam. Hierdoor ontstaat nu die geestelijke vereniging, dat in zijn in Christus, dat één zijn met Hem, waarvan de Schrift zo dikwijls spreekt en waarmee Paulus zoveel op had. Zodat het Zijne het onze en Zijn gerechtigheid de grond van onze rechtvaardiging bij God wordt.
Door dit geloof in Christus erkennen wij, dat wij in onszelf straf- en vloekwaardige zondaars zijn, dat wij in onszelf verloren zijn en de eeuwige dood en verdoemenis verdienen. Door deze overtuiging schrijven wij de dood op al onze werken en zien van alles wat buiten Christus is ten enenmale af. Door dit geloof gaan wij uit onszelf tot Christus en nemen Hem aan tot onze rechtvaardigheid voor God. Zo worden wij door een nauwe gemeenschap met Christus Zijn gerechtigheid deelachtig. God de Vader rekent ons nu de gehoorzaamheid door Christus aangebracht als de onze toe en beschouwt ons, hoewel wij in onszelf zondaren zijn en blijven, als heiligen en rechtvaardigen in Christus. Als degenen die geen zonde hebben, en hierdoor worden wij deelgenoot van hetgeen wij reeds voor ons bestaan in Christus hadden. Nu worden wij niet alleen vrijgesproken van schuld en straf, maar wij ontvangen ook een recht op het eeuwige leven en genieten alles uit de volheid van Christus wat wij voor dit en het toekomende leven naar ziel en lichaam behoeven. Dit was de leer van de eerste kruisgezanten van Jezus Christus, maar ook van de latere getrouwe verkondigers van het Evangelie, en van de Kerkhervormers.
Te allen tijde zijn er mannen geweest die deze leer handhaafden en daarmee voor de dag kwamen. Hoe men ook in de donkere middeleeuwen in allerlei uitwendige verrichtingen de zaligheid zocht en van de zuivere leer van het Christendom afweek, steeds waren er die door ware zelfkennis aan de leer van de rechtvaardiging uit genade, door het geloof in Christus, alleen hun verwachting voor de eeuwigheid hechtten. Zij werden vervolgd en moesten vluchten, zelfs naar de valleien van Piëmont, maar nooit zijn de aanhangers van deze leer uitgeroeid, steeds bleef er een overblijfsel naar de verkiezing der genade en werd de lof van Christus op aarde verkondigd.
Maar er kwam een tijd dat deze leer als verdwenen scheen. Doordat de Heilige Schrift niet meer onderzocht werd had een nacht van dwaling en bijgeloof het Christendom omgeven. De verdienste van goede werken werd niet alleen openlijk gepreekt, maar ook werd de zaligheid voor geld aangeboden. Vanwaar zou er nu redding komen, wie zal een hervorming in leer en leven teweeg brengen? Zou het licht weer uit de duisternis tevoorschijn treden moest God in het midden komen.
Ds. A. van Herwaarden (1815-1855), in leven hervormd predikant te Waarder, Fijnaart en Opheusden